index gedichtenNaar inhoud

Naar inhoud

Naar Index

 

DE SLAAPDRANK

Toe Willem zei vrouw Sippel (is ui)
Onlangs eens tot haar man,
Ik moet een slaapdrank hebben,
Wijl ik s'nachts niet rusten kan.

Och, tel dan maar tot honderd,
Zo stelde Willem voor,
Je telt tot je in slaap valt,
En gaat  zolang maar door. 

Vrouw Sippel,die t beproefde,
vond er geen redding bij.
ik wil een slaapdrank gebruiken,
Dit slechts herhaalde zij.

Hij moest er aan geloven,
En ging naar de drogist,
Om t middel te bekomen,
Dat nooit zijn werking mist.

Hij kwam dus met de slaapdrank,
Des avonds thuis ,
En zij gebruikte een goeie  dosis,
En was bijzonder blij.

Doch nu kon hij niet slapen,
Hij, de arme echtgenoot,
Zijn jongen,
de eerstgeborene,
Speelde ijselijk op zijn poot.

Hij stote bij herhaling,
Zijn slapend vrouwtje aan,
Maar zij bleef dapper slapen,
Dat was dus niets gedaan.

Toen Willem s'morgens weder,
Bij de drogist eens kwam,
Was het al zeer natuurlijk,
Dat deze ’t eerst vernam.

Hoe of het wel gegaan was,
In de afgelopen nacht.
Een vraag die Willem deerlijk,
Uit zijn humeur nu bracht.

Zij krijgt het goed niet  weder,
Daar blijf ik borg je voor,
Sprak hij,
de kleine schreeuwde,
En zij sliep alles door.

Ik moest er uit te wiegen,
Vast wel een keer of vijfzes,
En ‘k  kon het kind niet sussen,
Zo min als met de fles.

Koopt zij dus zelf het middel,
Dat mag zij met plezier,
Maar ik bezweer je, s'avonds,
Breng ik de kleine hier.

Tjamme de Vries

 

 

[ WEBMASTER ]
©2004 - 2007
M.J.J.v.E