Allang weer thuis
Ik zag haar in de verte lopen.
Met de gratie van een hinde.
Ik was verloren, deed mij nopen.
De vrouw te zien die ik al minde.
Naderbij gekomen zag ik pas.
De door mij begeerde prooi.
Dat zij een jaar of zestien was.
Een vrouw, zo oogverblindend mooi.
Maar ik ben reeds oud, versleten.
Ik mag slechts van haar dromen.
Het beste is haar maar vergeten.
In mijn hart
wil zij niet wonen.
Maar in mij heerste onrust.
Een grote liefdesbrand brak uit.
Die alleen maar kon geblust.
Als zij zei: schat ik word je bruid.
Ik bleef alleen met mijn gedachte.
Mensen keken van die is niet pluis.
Trillende benen die mij hier brachten.
Ik bleef alleenmet mijn gedachten.
Mensen keken van die is niet pluis.
Trillende benen die mij hier brachten.
Waarschijnlijk is zij allang weer thuis.
Han Janzen |
|