Minnen
De schemering was ingetreden.
Ook op deze zandplek.
Mooi waren de omstandigheden.
Voor geliefden onder het hemeldek.
Hij zag veel stellen te samen.
Omklemt, ook op een smal paadje.
De maan dacht: ik mij schamen.
Ook ik lust wel een groen blaadje.
Hij doofde rustig aan het licht.
Zij zagen slechts hun silhouetten.
Lippen kwamen toen heel dicht bij elkaar, zonder op anderen te letten.
Langs het strand en hand in hand.
Zo zagen zij
hun huwelijksreis.
Moeten achter latend in het zand.
In hun sprookjesachtig paradijs.
Nachten duren dan te kort.
Plots is er het ochtendgloren.
Dat is wat aan nachten schort.
En geliefden in het minnen storen.
Han Janzen |