Zeepbel
Ik lig behaaglijk in het gras, zo ik belief.
En kijk verheerlijkt naar de zon.
Denk dan, misschien wel wat naïef.
Als ieder mens die warmte geven kon. Kinderen, bellenblazend.
Bal na bal.
Zoekend op deze aard hun baan.
Bevinden zich in dit onmetelijk heelal. Tussen duizenden sterren en de maan.
't Universum, waarin het leven zich bevindt. Kindereo spelend
in hun naakte lijven. Juichend als een bal weer springt.
Kon die onschuld
eeuwig maar zo blijven.
Maar niemand wil
die vrijheid kussen.
Mensen hebben
maar weinig gemeen.
Geen speld krijg je er nog tussen.
De ballen spatten met geweld uiteen.
Was de wereld als die kleurige ballen.
Maar ons wacht
een ander lot.
Dus wat doen we met zijn allen.
Elkaar afslachten, uit naam van dezelfde God.
Han Janzen |