Prettige Kerstdagen en een Gelukkig nieuwjaar

Kareltje - Kerstverhaal
 

Geschreven door J.J. Frinsel

Niemand wist precies wanneer
hij bij de bouw was verschenen,
maar dat moet al heel in het begin zijn geweest.
Het terrein was nog maar nauwelijks afgezet,
of hij stond door het zware gaas van de hekken alles gade te slaan wat zich
daarachter afspeelde.
Niemand kon zich achteraf herinneren wie hem had
toegestaan het terrein te betreden.
De bouwvakkers wisten niet beter, of Kareltje hoorde helemaal bij het decor.
Temidden van de bedrijvigheid stapte hij rond, slepend met een flinke balk,
iedereen groetend en overal zijn diensten aanbiedend.
Hellepe... mag ik hellepe...
De meeste kerels gingen leuk met hem om.
Ze maakten grapjes op een goedmoedige manier en lieten hem hand en
spandiensten verrichten, als dat mogelijk was.
Tijdens het heien mocht hij niet te dicht in de buurt komen en het was
duidelijk dat hij dat reuze jammer vond, want vooral de dreunende cadans van
de heimachine bracht hem in vervoering.
Van een afstand stond hij dan toe te kijken en helemaal met het ding mee te doen.
Hij sloeg uitbundig de maat en imiteerde het geluid.
Aboeng, aboeng, aboeng, aboeng.
Alles naar je zin, baas? plaagden ze hem.
Hellepe... mag ik hellepe...
Hij begroette elke aanrollende vrachtauto die zand, stenen, grind, staaldraad
of betonpalen kwam brengen.
Alsof alles zonder hem in het honderd zou lopen,
zo druk stond hij te gebaren om de auto's veilig over de staalplaten te
loodsen.
Bedankt, Kareltje! Prima gedaan, speelden de meesten het spel mee.
Dan glom
hij van trots en straalde z'n grove gezicht van pure blijdschap.
Hij wreef
zijn plompe, brede handen tegen elkaar,
alsof hij zeggen wilde weer een
karwei plat.
Hij pakte zijn balk weer op en ging op stap naar de volgende
klus.
Er waren maar weinigen die hem negeerden,
en dan meestal omdat ze zelf met hun
houding geen raad wisten.
Dat grote, vreemde gezicht, met dat schaarse sprieterige haar,
de brede platte
neus en de kleine ronde oortjes;
de scheefstaande ogen met de vreemde plooien;
het maakte sommigen wat verlegen.
Zulke mensen durfden niet om hem te lachen,
en dat was waarschijnlijk net waar het aan mankeerde,
want Kareltje was een en
al vriendelijkheid.
Wat hem betrof, was het ijs gauw gebroken.
Hij was altijd
bereid om mee te lachen.
Zielsgelukkig was hij, als hij bij de timmerman mocht
kijken.
Hij liet z'n hamer wel eens vallen. Die mocht Kareltje dan voor hem
oprapen.
Hellepe...
En als er iets gelast werd, was hij daarbij ook niet weg te slaan.
Prachtig
vond hij dat geknetter en gespetter van de elektrische vlamboog.
Hij deed al
die geluiden na.
Hij kreunde, siste, piepte en gilde met heel het gebeuren op
de bouwplaats mee.
Het was treffend, zoals hij de geluiden analyseerde en
imiteerde,
met veel gevoel voor ritme, en zo realistisch dat de mannen het
soms uitschaterden.
Je had muzikant moeten worden, Kareltje. D'r zit muziek in je.
Kareltje was
dol op muziek.
Zoals meer van deze kinderen was hij daar zeer gevoelig voor.
Behalve dat hij muziek ontdekte bij de bouwwerktuigen, tot de cementmolen toe,
wist hij ook zelf muziek te maken. Niet alleen door de geluiden na te bootsen,
maar ook door op z'n mondharmonica te spelen.
Dat hadden de mannen tot hun
verrassing ervaren op een regenachtige dag.
Kareltje was in een beschut koekje gekropen en had z'n mondorgel tevoorschijn
gehaald.
Daar was hij op gaan spelen, op een manier die de mannen niet voor
mogelijk hadden gehouden. Toen ze bij hem kwamen kijken, was hij er echter meteen mee gestopt.
Ze hadden hem toen maar met rust gelaten en waren er aan
gewend geraakt dat,
als Kareltje, niet met zijn balk over het terrein liep te
sjouwen,
hij ergens vanuit een beschut hoekje een concert gaf.
Van de aanvang af was er eigenlijk maar een geweest die niet veel van de
jongen moest hebben. Het was een van de betonvlechters.
Kareltje vond het
vreselijk jammer dat hij door de man altijd werd weggestuurd,
als hij in de
buurt kwam om naar diens werk te kijken.
Hij scheen het prachtig te vinden, al dat ijzer zo kriskras door elkaar en
tegelijk in zulke mooie, regelmatige patronen gevlochten. En dan het buigen
van het ijzer! Kareltje vond dat heel geweldig.
Dat kon je aan hem zien, als
hij van een afstand stond te hunkeren
 om een beetje dichterbij te komen.
Als
een hond die weet dat hij iets doet dat verboden is,
maar de verleiding niet
kan weerstaan, schoof hij dan in de richting van de
werkbank waar de man bezig
was.
Maar als die hen in de gaten kreeg, werd hij met een bruusk gebaar weggejaagd.
Op een middag tijdens de schaft, begonnen de anderen daarover.
He,
Jaap, waarom doe je eigenlijk altijd zo nurks tegen onze Kareltje?
Vroeg
iemand de betonvlechter op de man af.
Hoezo, nurks?
Wil je zeggen dat je vriendelijk tegen hem bent?
Ik wil hem niet bij me in de buurt hebben, dat is alles.
Als jullie der geen
bezwaren tegen hebben, dan mag ie jullie op je handen kijken.
Ik hou daar niet
van.
t Is een stakker, en hij doet geen vlieg kwaad.
Die jongen geniet hier.
Ik doe hem ook geen kwaad.
Ik wil alleen dat ie uit mijn buurt blijft.
Wat mij
betreft, was ie nooit binnen het hek gekomen, maar goed ik ben de baas hier niet.
t Is een lieve jongen, had een ander zich in het gesprek gemengd.
Ja, doe maar een beetje sentimenteel! Schamperde Jaap.
Een lieve jongen! Dat
zeg je alleen uit medelijden, omdat ie niet goed bij zijn hoofd is.
Moet je
die beer over het terrein zien hobbelen.
Als ie z'n verstand had, zouden
jullie niet zo aardig voor hem zijn.
Daar heb je misschien wel gelijk aan, zei een metselaar,
maar doet zo'n jongen
jou dan helemaal niks?
Natuurlijk verdraag je van zo'n knul meer dan van een normaal mens.
Dat ben ik
me wel bewust.
Maar elke keer als ie bij me komt, denk ik aan mijn eigen
kinderen
dan ben ik dankbaar dat die gezond zijn.
Dat had ook anders kunnen
wezen!
Heb jij dat dan niet...?
Als ik nou zie hoe die jongen soms staat te hunkeren om even bij je te komen
kijken,
dan vind ik dat zielig.
Je kunt toch wel gewoon een beetje vriendelijk
zijn.
Als je hem wegstuurt, is het net een geslagen hond.
Dat is zo'n mongool direct weer vergeten, zei Jaap.
Dat kun je zien, want hij probeert het steeds weer opnieuw.
Heb je een hekel aan zulke kinderen, vroeg ome Piet,
een wat oudere man die
aandachtig het gesprek had gevolgd.
Je kan die knaap toch moeilijk een kind noemen!
Hoe oud schat je dat ie is?
Achttien... negentien jaar misschien?
Dat is geen antwoord op mijn vraag.
Ik vroeg je of je een hekel aan zulke
mensen hebt.
Nou, kijk es ik hoef me voor jullie natuurlijk niet te
verantwoorden,
maar je mag wel weten dat ik het vervelend vind dat die mongool
hier rondscharrelt.
Ik vind het mensonwaardig als iemand zoo door het leven
moet gaan.
Nou, dan juist,dan zou je toch juist een beetje medelijden mogen opbrengen
riep iemand!
Maar ome Piet maakte een gebaar van.
Kalm nou en zei:
Voel je het
misschien als een persoonlijke belediging?
Daar dacht Jaap even over na, voor
hij antwoordde.
Nou, misschien wel, ja... Zo is de mens toch niet bedoeld...
Ik
vind dat zoiets eigenlijk niet zou mogen voorkomen.
Een spuitje geven zeker! riep iemand verontwaardigd,
jij praat al helemaal
mooi in de lijn van deze tijd!
Alles opruimen waar wat aan mankeert!
En die
kant gaan we op, let op mijn woorden.
Nou is het nog allemaal vrijwillig, zogenaamd dan,
maar straks wordt alles opgeruimd wat niet nuttig is naar
algemene maatstaven.
Dat moet weg! Dat heeft geen recht meer van bestaan!
Je windt je nou wel zo op,antwoordde Jaap, maar bekijk het nou eens nuchter.
Tweederde van de wereld lijdt honger en d'r sterven dagelijks mensen die een
goed stel hersens hebben, maar geen voedsel om te eten.
En dan zie ik hier
zo'n ongelukkige stakker lopen die van voren niet weet dat ie van achter leeft...
Die van geen enkel nut is voor de samenleving.
Dat bedoel je toch!
Juist.
Ik vind het gruwelijk dat je zulke dingen durft te zeggen!
Ik zie het gruwelijke er niet van!
Jullie vragen hoe ik er over denk, en als
ik het vertel, worden jullie kwaad.
Ik vraag je alleen wat voor zin zo'n leven heeft.
Nu heeft ie nog een tehuis, ouders die voor hem zorgen, maar als die er
niet meer zijn,
moet ie in een inrichting.
Vraag niet wat dat de gemeenschap
allemaal kost.
En als je zelf nou zo'n kind had? Zou je dan net zo praten?
Ik zou 't zover niet laten komen.
Tegenwoordig, met dat vrucht water onderzoek,
kun je er vlug genoeg bij zijn.
Als je weet dat je zoiets te wachten staat,
kun je dat voorkomen.
Dus dood maken maar!
Als ja dat met alle geweld zo wil zeggen, ja... Maar is dat eerlijk?
Is het
humaner om zo'n wrak op de wereld te zetten?
Moet je 'm nou over dat terrein
zien hobbelen met die balk.
Het is in een bepaald opzicht treurig, zei ome Piet, maar het is een
mens, weet je,
en alleen om dat feit al heeft Kareltje meer waarde dan jij er
kennelijk in ziet.
Het enige dat een mens onderscheidt van een dier is z'n verstand,
en dat mist
ie nou juist...
Heb je  hem wel eens zien eten...?
Vorige week had ie een keer
brood meegekregen.
Had je moeten zien wat een lading!
Daar hadden ze in Artis
alle buffels een week mee kunnen voeren!
En zo gauw als dat allemaal
vertrokken was.
Zo ongeremd en onsmakelijk als dat ging.
Ga je nou niet een beetje te ver?
Heb jij hem wel eens zien eten?
Heb jij wel eens geluisterd, als hij mondorgel speelt?
Waar moet dat nou op slaan?
Op wat jij allemaal beweert.
Als ik jou zo hoor praten, verlies ik bijna alle
hoop.
Maar zo'n verstandelijk gehandicapte is nog altijd een mens, man.
Voor
jou is zo iemand nog geen dier, geloof ik.
Daarom vroeg ik dat van dat
mondorgel.
Probeer jij dat een chimpansee maar eens te leren... Speel je zelf
eigenlijk een instrument?
Wat heeft dat er nou mee te maken?
Probeer het maar en dan zul je dat begrijpen!
Kareltje speelt mondorgel, voel
je?
Uit zo'n smoelschaaf kan een kind nog een wijsje halen, probeerde Jaap nog te
protesteren.
Denk je? Nou, probeer het zelf dan! Het is mij nooit gelukt.
Ik bewonder
Kareltje.
Eerst dacht ik dat hij maar een deuntje kon, maar hij speelt van alles, gooide
iemand in het midden.
De laatste tijd allemaal kerstliedjes.
Maar dat ene moppie hoor je geregeld.
Dat speelt ie altijd.
Is dat ook van de
kerst?
Ik denk het niet. Dat speelde hij aldoor al. Ik ken de melodie wel,
maar ik
weet niet wat het voor een lied is.
Het zal ook wel christelijk zijn.
Ik denk
dat ze bij hem thuis van de kerk zijn.
Toen hij gisterochtend het terrein
opkwam, riep ie: De Here Jezus komt! ...
Hij bedoelde natuurlijk
Kerstfeest.
Maar dat deuntje dat hij geregeld speelt, dat moet dan toch z'n lievelingslied zijn.
Kent iemand van jullie het?
Het komt me wel bekend voor, maar ik ken de woorden niet.
Jullie?
Dat zal ie zelf ook niet weten, meende Jaap.
Mijn schoonzoon kan ik het vragen, zei ome Piet, die speelt accordeon.
Ik ga weer aan de slag,  zei Jaap en stond van tafel op.
Toen hij naar
buiten stapte, bleef hij een ogenblik luisterend in de deuropening staan.
Hoor, zei hij, jullie mongooltje...
En het is weer datzelfde deuntje.
Een paar
dagen later, ze zaten weer bij elkaar in de schaftkeet,
schoot ome Piet iets
te binnen.
Voor ik het vergeet.
Hier heb ik dat lied, waar we het van de week
over hadden.
Hij haalde een opgevouwen papiertje uit z'n achterzak,
dat hij
openmaakte en gladstreek daar heb ik het.
M'n schoonzoon wist meteen
wat ik bedoelde.
Heb je het hem voorgezongen dan?
Voor gefloten... Hij had de muziek en de tekst.
Hij heeft het in blokletters
voor me overgeschreven.
Nah, laat maar es horen dan.
Ik kan et niet lezen, lachte ome Piet.
Je bent toch geen analfabeet?
Geef es hier!
Asjeblieft,grinnikte ome Piet en overhandigde het papiertje aan de metselaar
die erom gevraagd had.
De man wierp een blik op het schrift en zweeg beteuterd.
Nou? riepen de anderen, horen we nog wat?
Of kan jij ook niet lezen! azing...graze... ho zweet te sound..., begon de metselaar.
Geef maar op, lachte Jaap en nam het papier af.
t Is Engels, ik hoor het al. 
Kan jij dat lezen dan?
Ik heb zes jaar in Australië gewoond en gewerkt.
Die Engelsen praten heel anders dan dat ze het schrijven,
probeerde de
metselaar zich nog te verontschuldigen.
Wij lezen het zoals het er staat, maar
zullie niet.
Lees jij het dan maar voor, vroegen ze Jaap, die het papier zat te bestuderen.
't Is christelijk, zei hij.
Geeft niet.
Lees maar voor
En de betonvlechter las:

the sound,

that saved a wretch like me!

I once was lost, but now I'm found,

Was blind, but now I see...

Ja,dat je Engels kent geloven we nou wel viel de metselaar die zo'n slechte beurt had gemaakt hem in de rede.
Je bent me in ieder geval de baas, dat geef ik toe,
maar wat betekent dat nou allemaal.
Zeg et nou es in gewoon Hollands.
Dan moet ik het vertalen.
Is dat zo'n heksentoer dan?
Dan heb je d'r ook niet veel an,
als je Engels
kunt lezen...
Als je toch niet weet wat het betekent.
Het is geen kwestie van niet weten wat het betekent.
Wat dan wel?
Nou bepaalde begrippen zijn niet zo gemakkelijk te vertalen.
Je weet wel wat
het betekent, maar om het nou in het Nederlands te zeggen...
Probeer het maar.
De meeste van ons zullen het je toch niet verbeteren.
Dus je
hoeft je niet te generen, als je d'r een dwarsstraat naast zit.
Oké, dan... Het hele lied? Alle coupletten meteen achter elkaar?
Doe maar eerst dat stukkie dat je net in het Engels gelezen hebt.
Goed, daar gaat ie dan...: Verbazingwekkende genade... wat een heerlijke boodschap... die een ongelukkige stakker, zoals ik ben, redde...
Ik was
verloren, maar nu ben ik gevonden...
Ik was blind, maar nu kan ik zien...
Dat was het ongeveer.
Helemaal letterlijk kom je d'r meestal niet uit...
Dat
wretch kan ook ellendeling betekenen of zoiets...
Het bleef even stil in de keet.
Een ongelukkige stakker... zoals ik ben...
Zou Kareltje die woorden kennen?
vroeg tenslotte een van de mannen zich hardop af.
Welnee, antwoordde Jaap,  dacht je dat die mongool Engels kan verstaan?
Waarom niet?
Zijn er in Engeland en Amerika niet van zulke gehandicapte mensen
dan?
Dat is toch heel wat anders!
Je leert een mongool geen vreemde taal, neem dat
van mij aan.
Zou ie dan niet weten wat ie zingt?
Hij zingt dat lied niet.
Hij speelt het.
Maar iemand kan het hem wel verteld
hebben wat hij speelt.
In het Nederlands bedoel ik.
Jaap haalde z'n schouders op .
Dan zal hij toch niet begrijpen wat het betekent.
Neem een begrip als genade,
dat gaat hem toch zeker ver boven z'n pet.
Wat is dat dan? Wat?
Genade... Kan jij dat uitleggen?
Genade komt van God, zei ome Piet.
Jaap leek nijdig te worden.
Ik ga weer an me werk, zei hij en stond van z'n stoel op om naar buiten te gaan.
De metselaar hield hem even tegen en vroeg:
Zou je mij een plezier willen doen
en dat lied voor me willen overschrijven?
Niet in het Engels natuurlij, maar
gewoon in het Nederlands.
Weet ik niet... Misschien... als ik eens tijd heb... misschien.
Bewaar je dat papiertje dan wel! riep ome Piet hem nog na.
Niet lang daarna gebeurde het.
Kareltje speelde zijn spel en leefde zijn leven tussen zijn vrienden op de bouwplaats.
Hij gaf zijn aanwijzingen aan de kraandrijver van de torenkraan,
een man voor wie hij de grootste bewondering had en die naar zijn mening best
wat hulp gebruiken kon.
Natuurlijk vond hij het wel jammer dat hij op de
begane grond moest blijven, maar daar deed hij dan ook zijn best, luid roepend, met zijn hoofd in zijn nek en druk gebarend.
Gelukkig waren de andere betonvlechters hem heel wat beter gezind dan Jaap,
zodat ook dat onderdeel van het bouwbedrijf het niet zonder zijn instructies
hoefde te doen.
Op een middag, tegen de tijd dat ze naar huis zouden gaan,
wilde Jaap nog wat
betonijzer van een wagen halen die, hoog opgeladen met diverse bouwmaterialen, op het terrein geparkeerd stond.
De wagen stond wat scheef weggezakt op de
ongelijke bodem en eigenlijk had dat de betonvlechter tot voorzichtigheid moeten manen.
Misschien was hem dat ontgaan, maar in elk geval ging het
verschrikkelijk mis!
Toen hij probeerde wat staven uit de lading te trekken,
rolde er een hele
partij zijdelings van de wagen af.
Jaap kwam te vallen en raakte met een been
onder de bundels betonijzer beklemd.
Terwijl hij moeite deed om zich daaronder
uit te werken, zag hij echter iets dat hem met ontzetting vervulde en deed schreeuwen van angst.
Een stapel betonplaten begon over te hellen en hij
begreep dat, als ze van de wagen zouden storten, hij daardoor verpletterd zou worden!
Het angstzweet brak hem uit, terwijl hij worstelde om los te komen!
Jaap
voelde echter dat hij geen schijn van kans had om zich te bevrijden en brulde om hulp. Jongens...! Help...! In Gods naam help me! 
En midden in zijn wanhoop was daar opeens die mongool!
Ineens was daar dat
grote kind met een paar sprongen bij hem.
Hellepe... kan ik hellepe! brulde Kareltje, en voordat Jaap,
bij het zien van
de ongelukkig stakker, alle hoop kon laten varen, plantte deze met een ongelofelijke zwaai zijn onafscheidelijke balk achter een opstaande stang van
de laadbak en schoorde voor een moment de schuivende betonplaten.
Daarna ging
hij er met zijn volle gewicht tegenaan hangen,
niets beseffend van het gevaar
dat hem bedreigde.
Of begreep hij toch meer van de situatie dan je van een
mongool mocht verwachten?
Hij keek naar Jaap, die schreeuwend aan zijn voeten lag, worstelend met de
zware bundels draad, en hij brulde mee: Hellepe... hellepe...! Here Jezus!
Het gebeurde alles in onderdelen van seconden, maar het leken eeuwigheden die
verstreken, voordat de anderen kwamen toesnellen.
Gelukkig begrepen ze direct
wat er aan de hand was en aarzelden geen ogenblik.
Een paar man sjorden het
betonijzer opzij,
terwijl anderen Jaap uit zijn verschrikkelijke positie
bevrijdden.
Ze waren echter zo druk met hun maat bezig, dat ze niet in de
gaten hadden dat dit Kareltje noodlottig kon worden.
Ome Piet zag echter het
gevaar, was met een paar sprongen bij de jongen en rukte hem van de platen weg, die geen seconde later met luid geraas van de wagen stortten, in hun val
de balk versplinterend die ze enkele tellen lang had tegengehouden.
Na het lawaai viel er een vreemde stilte over het groepje mannen.
De
betonvlechter had de ogen gesloten en zag krijtwit.
Hoe is het met je been? verbrak iemand tenslotte het zwijgen.
Jaap gaf geen antwoord. Aan de manier waarop hij zijn kaken op elkaar klemde,
maakten ze op dat hij veel pijn had.
Ze hielpen hem voorzichtig overeind en
wilden hem naar de schaftkeet dragen,
maar dat weerde hij af. Tussen twee
mannen in hinkte hij naar de keet.
Na een paar stappen hield hij echter halt en vroeg schor:
Waar is Kareltje?
Het was voor het eerst dat hij het niet over die mongool had.
Die zwerft alweer ergens rond.
Die is misschien alles alweer vergeten.
Stom geluk dat die jongen net in de buurt was,
zei iemand die met ome Piet
achter Jaap meeliep naar de keet.
Zeker, beaamde ome Piet en keek z'n maat aan met een vreemde blik in z'n ogen.
Stom geluk dat ie direct handelde en toevallig die balk,
waar ie dag in dag uit mee rondsjouwt, zo precies achter die stand zette en die platen
schoorde... Heb je ook gezien hoe hij met z'n blote handen probeerde die hele
vracht tegen te houden?
Allemaal stom geluk?... Zou het misschien nog iets
anders mogen zijn?
Zwijgend gingen ze verder.
Ze waren bijna bij de keet gekomen, toen Jaap weer halt maakte en luisterend het hoofd ophief. De mannen die hem ondersteunden, voelden hoe hij beefde.
Ergens vanuit de schemer klonk het geluid van de mondharmonica...
Toen begon
de betonvlechter te huilen, en niemand van de mannen die dat vreemd vond...
Ze waren op dat moment geen van allen in staat iets onder woorden te brengen
van hetgeen ze beleefden...
Misschien kende Kareltje de woorden niet...
Misschien ging het begrip genade
hem heel ver boven zijn verstand... maar hij wist ervan te leven...!

that saved a wretch like me!

I once was lost, but now I'm found,

Was blind, but now I see.

Einde

 

[WEBMASTER ]
©2002 - 2005 M.J.J.v.E.

[ TOP ]