"Deze kerst wordt gelukkig anders dan vorig jaar", dacht Joost. Hij
keek opzij naar zijn vriendin Janny die net bij hem op de bank was komen zitten.
Ze had zo'n klei masker opgedaan. "Gelukkig, dan is ze even stil",
dacht hij. Het licht van de kleine elektrische kaarsjes in de kerstboom,
speelden over het masker. Joost wist, dat het zijn laatste kerst met haar zou
worden. Volgend jaar om deze tijd zou hij zelf kerst vieren in Aspen of St.
Moritz of misschien wel Hawaï Met veel geld is van alles te doen...
Het uitwerken van de details had hem veel tijd gekost en was deze zomer begonnen
kort na die knetterende ruzie. Het was net de druppel geweest die jaren van
woede tot uitbarsting hadden laten komen. Het was heel vreemd gegaan bij die
ruzie; Hij was plotseling heel rustig geworden en wist het ineens heel zeker,
een vaststaand feit waar niet meer van af te wijken is; Hij zou Janny
vermoorden.
Eén na één overliep hij de duistere details van het plan in zijn hoofd, waar,
hoe, waarmee, hoe laat. Van de eerste stap tot Janny's verbijsterde blik bij
haar laatste miserabele ademtocht. Een sardonische glimlach speelde over z'n
lippen.
"Waar ben jij zo vrolijk over?"
De glimlach trok weg,
"Oh niks, een binnenpretje..." Met een grom keerde ze zich van hem af.
Joost hield niet zo van kerst. Hij werd er depri van. Al die lichtjes en bomen,
de donkere dagen, de muzak in de straten. De jingle bells blues noemde hij het.
Nochtans kon hij over het algemeen goed tegen de duisternis. De flikkering van
zijn PC scherm was beter dan zo'n lichtbak waarvoor mensen met chronische
vermoeidheid al eens plegen te gaan zitten. Maar kerst, nee dank je. Een bom of
twee onder het kerstgevoel, dat is wat er zou moeten gebeuren, een Palestijnse
zelfmoordaanslag. En Janny, met haar dikke kont, haar klei masker, haar
commentaar op het feit dat hij zo vaak achter zijn computer zat: ze zou niet
weten wat haar overkwam.
"Ik verdrink, maar ik klamp me vast aan een twijgje," dacht Janny
wanneer ze zich neerzette aan de gedekte tafel. De kalkoen was nu al te koud.
"Nu kerst vieren en stilzwijgend doen of er niks aan de hand is... Waarom
begraven wij niet wat we ooit hadden -hier en nu? In vrede?" Ze nam een
slok wijn en
vulde zijn glas.
"Schat," probeerde ze de stilte te verbreken.
"Schat? Da's ook al even geleden. Vorige week was het nog lafaard, lamzak,
klootzak. Maar wat wilde je zeggen mijn harten duifje?" Harten duifje: die
zat. Haar nonkel Albert noemde haar vroeger zo. Wanneer zij een jaar of tien was
en op zijn schoot zat. "Wil mijn harten duifje nog wat drop? Ja He, dat wil
ze. Want van drop krijg je borstjes! En dat wil je toch He lieve Janny?" Op
een zondagnamiddag was het dan gebeurd: haar ouders waren even bij de buren gaan
helpen voor het communiefeest en nonkel Albert stond plots voor
de deur. Zij had de hele tijd haar gezicht van hem afgekeerd en had geen geluid
gemaakt. Bang dat haar ouders het zouden gehoord hebben: zij zou de schaamte
niet aangekund hebben.
"Schat," probeerde ze opnieuw, "waarom doen we nog alsof? Waarom
stoppen we er niet mee? Ik volg jou tot aan het einde van de wereld en daar
voorbij, maar dan moet je tenminste doen alsof je mij graag ziet. En ik denk
niet dat je dat nog kan." Zij had geprobeerd alle drama uit haar stem te
laten. Het te doen klinken als een mededeling uit de luidsprekers in de
supermarkt. Maar de laatste woorden hadden gebeefd. Haar maag werd zuur en zij
trok haar hoofd tussen haar schouders. Hij vond zoiets melodrama. Zwak. Daar kon
hij niet tegen. Bang maar beslist hief zij haar ogen op toen de orkaan niet
meteen losbarstte.
Janny keek diep in Joost zijn ogen. Minutenlang. Maar Joost gaf geen krimp. Haar
ogen dwaalden over zijn grauw gezicht. "Afschuwelijk", dacht ze.
"Heb ik ooit van deze trol gehouden?" Trol, waar heeft ze dat nou weer
vandaan. Plots herinnerde ze zich een reclamespotje voor een of andere dwaze
kinderfilm. De donkere, flitsende beeldenbrij rolde voor haar ogen af. Ze
glimlachte. Joost voelde zich ongemakkelijk. Waarom lachte 'zijn Janny'? Hij was
helemaal van de kaart. "Waarom lachte ze toch?", bleef hij zich
afvragen."Waarom? Waarom?" Plots richtte hij zich op. Hij boog zich
over tafel en drukte zijn lippen op een haar lippen. Janny schrok. Een 'french
kiss' werd het niet. Neen, de 'kus' was liefdeloos, inspiratieloos.
Maar het eerste min of meer normale gesprek in weken had Joost niet van
gedachten doen veranderen. Hij zou zijn plan uitvoeren. Hij stond op, keek nog
eens naar de elektrische kaarsjes en sloeg de voordeur achter zich dicht. Hij
stapte in z'n auto en reed weg. "De laatste dag in dit wrak" dacht
Joost terwijl hij over de autosnelweg scheurde. Geld zou binnenkort geen
probleem meer zijn. "Wordt het een Jaguar of een Lexus? Hmmm, misschien wel
eentje van elk!" Joost zag zichzelf glimlachen in de achter uit kijkspiegel
van zijn derdehandse Volvo. Hij dacht aan de passieloze kus van daarnet.
"Als ik terugkom en de hele buurt zich vol
ongeloof in onze flat verzameld heeft, kan ik zelfs zeggen dat ik haar nog kuste
voor ik wegging." De koplampen van een tegenligger brachten Joost terug
naar de realiteit. "Stap voor stap, Joost" hield hij zichzelf voor
"Stap voor stap. De rol van echtgenoot die kapot gaat aan verdriet is voor
straks" Hij arriveerde bij het verlaten spoorwegstation.
Eerst was Janny blijven zitten. Ze was geschrokken. Dat er een hevige reactie
zou komen, wist ze. Maar dat hij zou vertrekken? Nee, dat had ze niet verwacht.
Ze stond op en liep hem nog achterna. Maar het was te laat. Nog net zag ze de
blauwe auto de straathoek omdraaien. Janny keerde verdwaasd terug naar de
woonkamer. Zonder Joost was ze zo alleen, zo verlaten. Ze mocht hem dan wel
haten, toch wilde ze
hem niet graag kwijt. "Binnen een uurtje staat ie terug voor de deur",
probeerde ze zichzelf gerust te stellen, "misschien zelfs vroeger".
Toch begon ze alvast de tafel af te ruimen...
Haar blik verstarde plots. De droefheid op haar gezicht maakte plaats voor een
sardonische grijns. Haar linkermondhoek trok nerveus op en neer. Geheel verloren
in duistere gedachten schonk ze geen aandacht aan het getik achter de ijskast.
Alles liep verdomme helemaal anders dan ze verwacht had en Joost plotse
vertrek liet al haar plannen in de soep lopen. Verbeten schrobde ze de laatste
restjes van wat ooit nonkel Albert was geweest van de borden. Kalkoen, ha! Die
klootzak had ze toch mooi te grazen genomen. En met Joost zou het, wat er ook
gebeurde, niet anders gaan. Vastberaden zette ze haar schoonmaak verder.
Intussen had Joost de motor afgezet. Het was koud in de auto. IJzig. Kleine
vlokjes dwarrelden naar beneden en smolten op de warme motorkap. Hij keek op
zijn polshorloge. Waar bleef die verdomde Albert nu toch?
Joost rookte ongeduldig een sigaret. Het was niets voor Albert om te laat te
zijn. Na een korte tijd kwam er over het besneeuwde spoorwegemplacement een
grote, Joost onbekende, zwarte wagen met getinte ruiten aangereden. De
uitlaatgassen ervan krulden in de koude vrieslucht. De auto, die een vreemde
nummerplaat had, kwam tot naast Joost gereden en hield toen halt. Een meter
stonden de twee wagens verwijderd van elkaar, in dezelfde richting geparkeerd.
Toen ging de deur van de chauffeurskant open en een vreemde lange man stapte
uit. Hij had lange gepunte oren en een fijn, doch ijskoud gelaat. Wel, deze
vreemde man stapte op de wagen van Joost af en tikte met een magere vinger tegen
het portierraampje. Joost, die niet echt opgezet was met heel de situatie,
draaide het raampje omlaag. "Mijn baas", zei de vreemdeling terwijl
hij een gebaar maakte naar de zwarte wagen, "zou u graag even
spreken". Dit klonk als een vaststelling, niet als een verzoek. Joost
voelde zich ongemakkelijk worden. Waar bleef nu toch Albert? "Mijn baas
kent u, en wil u om een gunst vragen", zei de punt orige man. "Ik zou
niet twijfelen als ik u was". Terwijl hij dit zei opende hij het portier
van Joost, zodat die haast niet anders kon dan uitstappen. Hij zette zijn voeten
in het dunne laagje sneeuw, en verliet de veiligheid van zijn auto. Achter hem
sloeg de man zijn portier weer dicht en zei:"Mijn
baas zal dit beslist waarderen."Hij begeleidde Joost naar een achterportier
van de zwarte wagen en opende dit voor hem. Hij maakte een uitnodigend gebaar
naar binnen toe. Joost aarzelde en bukte zich wat om
het interieur in zich op te nemen. In de duisternis van de wagen zag hij een
dikke man zitten. Rood kostuumpje aan, witte baard, goedlachs gelaat... Joost
richtte zich op naar de man die het portier openhield.
"Ben je me in de maling aan het nemen of wat!" blafte hij hem toe.
"Speel je spelletjes met anderen, maar verdoe mijn tijd niet!" Hij
maakte aanstalten om zich om te keren naar zijn eigen wagen, toen de lange man
vanuit het niets een klein pistool tevoorschijn toverde en het op Joost richtte.
"Instappen", zei hij kalm, "mijn baas krijgt het koud." |
|
Einde
|
|