Koning Herodes trommelt op de leuning van zijn troon.
Hij krabt achter zijn oren, wrijft door zijn haar.
'Zo, zo', zegt hij, 'een nieuwe ster aan de hemel.
Bij de Joden is een koning geboren. Zo, zo'.
Dat ziet er niet best uit.
Want hij, Herodes, weet er niets van.
Voor hij het weet, is hij geen koning meer.
Gelukkig waren die wijze mannen zo dom
naar hem te komen om te vertellen van die ster
en van die geboorte van een koning.
Nu is hij gewaarschuwd en klaar wakker.
Zijn boodschappers legden de vraag
bij zijn raadgevers: 'Zoek onmiddellijk uit,
waar die nieuwe koning geboren moet zijn'.
Met die zelfde boodschappers komt het antwoord:
'Uit Bethlehem, in het land van Juda,
daar komt de man vandaan,
die als een herder mijn volk zal leiden'.
Zie je wel, denkt Herodes,
daar heb je het al.
En hij zegt:
'Wijze mannen uit het oosten,
de koning is in Bethlehem geboren, hoor ik zojuist.
Ga hem daar opzoeken
en laat me even weten,
waar ik die nieuwe koning kan vinden.
Ik wil hem de eer bewijzen die hij verdient.
Herodes wacht.
De wijze mannen reizen verder achter de ster aan,
tot de ster stilstaat boven een huis.
Zij gaan naar binnen en vinden Maria met het kind.
Zij geven het hun goud, hun wierook en hun mirre.
Langs een andere weg gaan ze
naar hun land terug.
Herodes wacht niet langer.
Herodes is woedend.
Hij moet en zal het kind vinden.
Hij komt in actie.
Jozef is gevlucht naar Egypte,
met Maria en het kind op een ezel. Einde
|