In de hal van Madame Tussaud in de Kalverstraat zat Zwarte Piet gehurkt
voor drie zeer kleine jongetjes en vroeg: 'Kunnen jullie zingen van
Sinterklaas kapoentje?'
'Ja, Piet,' antwoordde een van de drie geïmponeerd.
Je kon zien dat hij ervan overtuigd was met de enige echte Zwarte Piet
te doen te hebben, terwijl de mensen die eromheen stonden duidelijk
zagen dat deze Piet gespeeld werd door een meisje.
'Nou, zing 't dan maar,' zei ze.
Ze deed zelfs geen moeite haar sopraan wat neer te drukken. '
Sinterklaas kapoentje...' hieven de jongetjes braaf aan.
Het duplicaat van de portier naast de kassa keek onbewogen, maar het
origineel bij de deur glimlachte net als wij.
Toen het liedje uit was, kregen de jongetjes een handje snoep en
verdween Zwarte Piet in het wassenbeeldenspel als enige bewegende
attractie tussen de verstarde groten der aarde.
De jongetjes maakten zich met hun buit uit de voeten en de toeschouwers
voegden zich in de rijen der winkelende Amsterdammers.
Ik liep tegelijk op met een oude man, die niet veel meer te winkelen
had. "t Was een meisje,"zei hij tegen me. 'Ja, dat hoorde ik ook,'
antwoordde ik.
Hij glimlachte.
'Ik heb laatst een vrouwelijke Sinterklaas gezien,' zei hij. 'Een
lachertje. Voor mij tenminste. Maar voor de kinderen niet. Als je klein
bent, geloof je wat je geloven wilt. Nou ja, als je groot bent ook. Maar
dan gaat het om andere dingen.'
Terwijl we verder liepen, dacht ik aan mijn kindertijd.
Eerste klas lagere school. Ik geloofde niet meer. Sinds kort.
En ik wist welke meester Sinterklaas speelde en welke jongen uit de
hoogste klas verscholen was achter het mombakkes van Zwarte Piet,
waarvan de mond ernstig was beschadigd, omdat hij zijn functie
misbruikte door zelf voortdurend pepernoten te eten. En toch beefde ik
van angst, toen ik uit de bank moest komen om Sinterklaas een handje te
geven en sloeg mijn stem over van de zenuwen bij het zingen van een
liedje, waar hij om vroeg.
'Toen ik nog klein was, zag je Sinterklaas niet zo gemakkelijk,' zei de
oude man.
'Nou hebben kinderen de intocht. En hij verschijnt elk ogenblik op de
t.v. Maar toen... Wanneer was het?' Hij dacht even na.
'De winter van 1915,' vervolgde hij. 'Ja, ik was toen zes. En m'n
broertjes waren tien en vier. We woonden in de Indische buurt, hier in
Amsterdam. En we hadden 't niet breed. Maar Sinterklaas werd gevierd. Ik
was toen op de grens van geloven en niet geloven. Tegen mijn vriendjes
riep ik: "Sinterklaas bestaat niet. Dat is een verklede vent." Maar toch
was ik diep onder de indruk, toen ik hem in persoon zag. Hij zat in de
manufacturenwinkel van Nooy in de Eerste Van Swindenstraat. Kent u die
winkel? Hij is er nog, geloof ik. Mijn moeder heeft me later verteld hoe
we daar binnenkwamen. Als je voor minstens 'n gulden kocht, mocht één
van de kinderen op vertoon van de kassabon Sinterklaas een handje geven.
En dan kreeg zo'n kind een presentje.' Hij keek me van opzij aan. 'Een
presentje,' zei hij.
'Een afgestorven woord. Net als versnapering.
Mijn moeder kocht drie theedoeken aan één stuk. Zelf doorknippen en
zomen. Dat kostte net genoeg voor zo'n heilige kassabon. Mijn broertje
van vier was de uitverkorene. Want die geloofde nog helemaal. Ik was
alleen maar zenuwachtig in die winkel. Het duurde een hele tijd eer mijn
broertje aan de beurt was. Vanuit de verte zagen we dat hij een handje
kreeg. En zo'n kleurboekie van één cent. Dat bestond toen - iets van één
cent. Helemaal stralend kwam hij bij ons terug. Hij had een wonder
meegemaakt. "En," vroeg mijn moeder, "heeft Sinterklaas nog iets
gezegd?"
Hij knikte en op een eerbiedige toon antwoordde hij:
"Ja, moe."
Hij zei: " verdorie, wat 'n rij nog.''