Het Sinterklaasgedicht
Het leek wel of de zon overleden was, zo donker bleef het elke dag. Toch
was het geen sombere tijd. In de klas was het licht aan, en als de
meester dan ging voorlezen, was het net of ze allemaal heel erg bij
elkaar hoorden, en nooit uit elkaar zouden gaan. Sinterklaas was weer in
Nederland aangekomen. Op veel plaatsen tegelijk, zoals zijn gewoonte
was. Op een koopavond liepen Kees en zijn broertje Rutger en hun vader
langs de feestelijk verlichte winkels. Bij een speelgoedwinkel bleven ze
staan. Je kon er allemaal peperdure automatische dingen kopen, waar
ieder kind gauw op is uitgekeken. "Daar hebben de mensen geld voor
over," zei vader. "En boeken vinden ze te duur. Het is onbegrijpelijk."
Rutger vertelde dat hij zorgen had. Want hij had gezongen "Sinterklaas
is jarig, zet hem op de pot". Hij had dat gedaan voordat Sinterklaas in
het land was. Maar misschien waren er al een paar Pieten
vooruitgestuurd, dacht Rutger, om te onderzoeken of er geen kinderen
waren die vieze liedjes zongen over de Sint. Vader stelde hem gerust.
"Sinterklaas wordt ook een dagje ouder," zei vader. "De man is niet zo
streng meer als vroeger. In mijn tijd werden er nog wel eens jongens in
de zak gestopt en naar Spanje vervoerd. Maar de goedheiligman heeft zich
aangepast aan de moderne ideeën over opvoeding."
Toen ze thuiskwamen moest vader eventjes naar de wc. Een hand met een
handschoen aan stak om de kamerdeur en strooide pepernoten de kamer in.
Rutger durfde zich haast niet te verroeren. Maar hij was gauw over de
schrik heen en ging wild aan het grabbelen. Vader kwam weer binnen. "Er
was een Zwarte Piet hier!" zei Rutger. "Ben je hem niet tegengekomen op
de gang?" - "Nee," zei vader. "Die kerels zijn zo vlug. En dat ik nou
toevallig op de wc zat, hè?" - "Ja, heel toevallig," zei Kees. Hij had
plezier om Rutger, die altijd zo stoer deed en er nu zo intrapte.
Op de ochtend van 5 december was bijna de hele klas van Kees al vroeg op
het schoolplein. Ze hadden geloot wie voor wie een cadeautje zou kopen.
Alles moest strikt geheim blijven, maar er werden toch hier en daar
groepjes gevormd waar alvast een tipje van de sluier werd opgelicht. "Je
moet het niet verder vertellen," zei Gerrit. "Maar ik heb een hartstikke
goed gedicht gemaakt op Menno. Omdat hij Jehova-getuige is." - "Laat
horen," zei Kees. En Gerrit droeg voor:
De ene gelooft in Jezus
en de andere niet,
maar dat maakt geen ene moer verschil
voor Sint en Piet.
"Een beetje kort," zei Kees. "Maar wel heel duidelijk." Chris wou er ook
het zijne van weten, en daarom droeg Gerrit zijn gedicht nog eens voor.
Toen liet Chris horen wat hij gemaakt had.
Voor Patricia:
Ook al ben je zwart als roet,
Je meent het toch goed.
"Wacht eens even," zei Kees. "Dat heb je niet zelf bedacht. Dat komt
voor in een Sinterklaasliedje:
Ook al ben ik zwart als roet,
'k meen het toch goed."
"Dat lijkt er inderdaad een beetje op," zei Chris. "Maar daarna wordt
het bij mij heel anders." En hij droeg nu het gedicht in zijn geheel
voor:
Ook al ben je zwart als roet,
Je meent het toch goed.
Ook al snoep je heel graag en
daarom krijg je van mij
een lekker suikerhart
voor Sinterklaas vandaag.
De bel ging en het feest kon beginnen. Ze zongen een paar
Sinterklaasliedjes om de lagere klassen voor de gek te houden. Toen
pakten ze één voor één hun cadeautjes uit en lazen ze het gedicht voor
dat erbij hoorde. Soms kon iemand een gedicht niet lezen. Dan kwam
degene die het gemaakt had bliksemsnel te hulp, zonder op de verplichte
geheimhouding te letten. Ha! Meester Kist was aan de beurt. En terwijl
de meester voorlas, ging Barend stijf rechtop zitten, keek de klas rond
en wees zo nu en dan op zichzelf. Want hij was heel trots op zijn
kunstwerk:
Dit is meester Kist, zoals je natuurlijk al wist.
Hij is niet kwaad als het regent of mist,
maar wel als hij een keertje de trein mist.
Hij is een goede meester, heel beslist.
Toch gebeurt het heus wel een keertje dat hij zich vergist.
Dan verzint hij gauw een list,
waarna hij weer om stilte sist.
Als hij dood is, stoppen mannen hem in een kist.
"Vooral de laatste zin vond ik heel ontroerend," zei meester Kist. "En
het is wel een heel knappe Sint, die een gedicht kan maken op maar één
rijm." Ondertussen probeerde Barend meesters aandacht te trekken, maar
dat lukte hem niet.
Nu was het Kees zijn beurt om voor te lezen. Een handschrift met ronde
letters. Een meisjeshandschrift. Vol aandacht zat Kees te lezen, en om
hem heen begonnen ze te roepen: "Vooruit, Kees!" "Voorlezen, Kees!" "Wij
willen er ook van genieten!"
Kees had honderd keer liever het gedicht voor zichzelf gehouden, maar
dat kon bij deze gelegenheid nou eenmaal niet. Dus las hij voor. En
onder het voorlezen vroeg hij zich af, wie dit nou toch wel voor hem
gemaakt kon hebben:
Kees.
Hij zit soms zo stil voor zich uit te kijken.
Dan zit hij te dromen.
Waar denkt hij dan aan?
Op straat zie ik hem soms gaan,
en dan zie ik hem ook wel een keer stilstaan.
Hij kent zijn huiswerk altijd zo goed.
Hij is heel lief, met op zijn neus een bril en een sproet.
Toen het uit was, bleef Kees verlegen naar dat mooie handschrift zitten
kijken. Gerrit riep: "Zo'n gedicht had ik ook wel willen hebben!" Van
wie zou dat toch zijn? Patricia en Mia en nog een paar meisjes konden
dit gedicht in elk geval niet gemaakt hebben. Want die hadden zich
verraden door mee te helpen, als hun gedicht werd voorgelezen. Maar er
bleven er genoeg over.
Voor het verdere Sinterklaasfeest op school had Kees weinig aandacht
meer. Hij liep zo in gedachten verzonken naar huis, dat hij bijna onder
een fiets kwam. "Uitkijken, slome!" riep de fietser. Mensen die op
willen schieten hebben weinig begrip voor verliefdheid. En verliefd was
Kees. Zo verliefd als hij nog nooit was geweest. En hij wist niet op
wie.
* * * EINDE * * *
|