Het was een hete dag, net zo heet als het de vorige dag geweest was, en
de dag daarvoor. De boeren konden zich niet meer herinneren wanneer er
regen gevallen was en wanneer de verzengende zon dag in dag uit was
begonnen te schijnen. Met sombere gezichten zaten ze voor hun armelijke
hutten en spraken over de mislukte oogst en het ongeluk dat juist hun
getroffen had.
De brandende zon had hun graanoogst geheel verzengd. Ze vroegen zich af
of Elias, de
strenge, boos op hen was, of dat God de Heer hen wilde doen beseffen hoe
zondig ze waren en dat dit een waarschuwing was. Maar wat moesten ze met
deze verschrikkelijke droogte, terwijl ze bijna geen eten meer hadden.
De akkers van de arme boeren lagen er verschroeid en kaal bij. Ja, de
rijke boeren hadden nog een schamele oogst gehad, doordat zij hun akkers
konden bevloeien, maar weldra zou onder de arme boeren de hongersnood
heersen.
Terwijl ze zo met elkaar over hun ongeluk praatten naderde hen een oude
grijze man. Geen van de boeren kende hem; hij kwam vast niet uit deze
streek.
'Waarom kijken jullie zo bedrukt?' vroeg hij de boeren, terwijl hij bij
hen bleef stilstaan. 'Is er een ongeluk gebeurd?'
Een van de boeren stond op en wees naar de velden. 'Zie je niet hoe onze
akkers eruit zien? De verzengende zon heeft alles verbrand!' De oude man
keek om zich heen en richtte daarna zijn blik van de een naar de ander.
Hij schudde zachtjes zijn hoofd en sprak: 'Beste mensen, als jullie nog
een handvol roggekorrels hebt, breng me die dan.'
De boeren keken elkaar verbaasd aan en keken toen achterdochtig naar de
oude man. Ze begrepen niet wat hij wilde. Wilde hij hen voor de gek
houden en bespotten in hun ellende?
Ze overlegden met elkaar en besloten ten slotte toch maar een handjevol
rogge te halen. Je kon nooit weten wat die oude grijsaard ermee zou
doen. Zorgvuldig nam de oude man de roggekorrels in ontvangst en liet
zich van de ene hut naar de andere brengen en bij iedere boerderij
bekeek hij alles zorgvuldig. De boeren keken elkaar verbaasd aan, toen
ze zagen dat hij op ieder erf, vlak voor de broodovens een roggekorrel
neerlegde. Toen hij overal geweest was vroeg de grijsaard nadrukkelijk:
'Ben ik overal geweest? Heb ik geen boerderij overgeslagen?'
De arme boeren knikten en begonnen met elkaar te overleggen wat de zin
van dit alles zou zijn. Intussen letten ze niet op de oude man en hij
verliet de armelijke hutten zonder dat iemand het merkte. Pas toen ze
tegen de avond hem wilden uitnodigen voor een schamele maaltijd merkten
ze dat hij was verdwenen.
Het werd avond en de boeren legden zich ter ruste.
De volgende ochtend werden ze wakker en keken somber uit het raam om te
zien of er eindelijk regenwolken in aantocht waren om hun ellende te
keren. Maar wat ze zagen deed hen zo verbaasd staan dat ze geen woord
konden uitbrengen. Daar waar de oude man voor iedere oven een
graankorrel had neergelegd groeide een rijpe roggeaar en overal stak uit
de schoorstenen wederom een rijpe roggeaar. En terwijl zij rondkeken in
hun huizen ontdekten ze dat het kleine lampje voor de icoon van Nicolaas
helder brandde. Buiten gekomen zagen ze dat op hun akkers het rijpe
graan in de wind heen en weer wiegde. Toen begrepen ze wie die oude man
geweest was die hen gisteren op zo vreemde wijze had bezocht: het was
Nicolaas de barmhartige.