Er leefde, er was eens een boertje; hij heette Morgoén. Morgoén sloofde
zich af, werkte tot hij er bij neerviel, pakte van alles aan, maar niets
lukte hem, alles liep verkeerd af. Eens was Morgoén bezig zijn moestuin
te bewerken, die vlak aan de straatweg lag; op de weg reed Nikola de
Genadige.
"God helpe u, boer!"
"Dank u wel, Sint Nikola! Waar gaat ge, de Gode Welgevallige, naar toe?"
"Ik ga naar de Verlosser."
"Barmhartige Nikola, wilt ge zo goed zijn de Verlosser te vragen, of er
iets in de wereld is, dat mij geluk zou kunnen brengen?"
"Goed, ik zal het vragen."
"Zult ge het heus niet vergeten?"
"Neen, ik vergeet het niet, wees gerust." Het boertje keek aandachtig en
zag: de stijgbeugels aan het zadel van Nikola waren van goud.
"Genadige Nikola, wilt ge zo goed zijn een stijgbeugel af te binden en
hem hier te laten?s ge bij de Verlosser weer op uw paard zult gaan
zitten, zult ge bemerken, dat er een stijgbeugel ontbreekt en dan zult
ge aan ons gesprek denken." De Barmhartige stemde er in toe, maakte een
stijgbeugel los, gaf hem aan het boertje — en met één stijgbeugel reed
hij naar de Verlosser. Nikola de Gode Welgevallige kwam bij de
Verlosser, hij besprak er, wat hij te bespreken had en maakte aanstalten
om te vertrekken, - doch hij dacht niet aan de afspraak met Morgoén.
Toen hij zijn paard zou bestijgen, herinnerde hij zich zijn belofte en
zei:
"Allerreinste Verlosser, de Waarachtige! Het boertje Morgoen heeft mij
verzocht U naar zijn geluk te vragen. Hij is zo ongelukkig; is er iets
in de wereld, dat hem geluk zou kunnen brengen?
"Zeker, ook voor hem is er iets, dat hem geluk zou kunnen brengen, zijn
geluk is stelen en zweren"
Morgoen werkte op zijn moestuin en wachtte op Nikola: Nikola de Gode
Welgevallige zou hem vertellen, waarin zijn geluk zat! Er is veel tijd
voorbijgegaan. Het boertje was doodop, maar hij bleef wachten. Doch daar
zag hij Nikola de Gode Welgevallige rijden. Nikola reed naar de boer.
"Genadige Nikola, hebt ge naar mijn geluk gevraagd?"
"Wel zeker! Er is ook voor u geluk in de wereld."
"Waarin steekt mijn geluk?"
"Uw geluk is: stelen en zweren. Geef me nu mijn stijgbeugel terug." Maar
Morgoen bleef staan, als had hij niets gehoord, als was hij doof
geworden.
"Ik zeg u, geef mij mijn stijgbeugel terug!"
"Wat voor stijgbeugel? Ik kan er een eed op doen: ik weet niets van een
stijgbeugel af!" En zo moest Nikola met één stijgbeugel verder rijden.
Hij reed door het Russische land, hij leerde de nood en ellende der
mensen kennen; de Barmhartige was steeds bereid snel te helpen, waar
hulp nodig was.
Intussen heeft het boertje de gouden stijgbeugel aan een paal vast-
gemaakt - de stijgbeugel schitterde en scheen, als de zon! De boer ging
met zijn werk voort. Op de weg reed uit Sint Petersburg een rijke heer
met een driespan, de belletjes aan de paarden rinkelden vrolijk. Reeds
op grote afstand zag hij de gouden stijgbeugel en reed naar de boer. Bij
de paal hield hij zijn paarden in.
"Waar hebt ge de stijgbeugel gestolen, boer?"
"Maar u vergist u, uw edele, ik kan er een eed op doen, het is mijn
eigen stijgbeugel."
"Dat lieg je, ik zal je voor het gerecht brengen."
Maar Morgoen bleef op zijn stuk staan, hij zwoer bij alles wat heilig
is:
"Ik ben bereid ook voor de rechtbank alles onder ede te verklaren; de
st\jgbeugel is van mij."
De heer haalde de stijgbeugel van de paal, beval de boer op de bok naast
de koetsier plaats te nemen en zij reden naar de rechtbank.
Onderweg bekeek de heer het boertje.
"Wat ziet ge er vreselijk uit, — zei de heer, — ge hebt geen kleren aan,
maar alleen vodden! Ik schaam mij iemand in zulke vodden voor de rechter
te brengen. Weet je wat, hier heb je mijn overjas, trek hem aan."
Daarna bedacht de heer, dat het niet genoeg was. Hij haalde uit zijn
koffer een hoed en een paar schoenen en gaf ze aan Morgoen.
Deze trok alles aan en zag er piekfijn uit; — niemand zou hem nu her-
kennen.
Morgoen zag er als een heer uit, toen zij voor de rechtbank kwamen De
heer, die hem meegebracht had, getuigde tegen hem en zei, - dat de boer
de gouden stijgbeugel moest hebben gestolen, dat het niet anders kón.
"Ik kan een eed afleggen, dat de stijgbeugel van mij is!" — hield het
boertje voet bij stuk. En iedereen geloofde hem. Toen keek Morgoen naar
de heer en zei:
"Nu zult ge nog wellicht gaan beweren, dat de jas, die ik aan heb, ook
niet van mij is?"
"Dat is toch zo, het is mijn jas."
"En dat het driespan ook van u is?"
"Maar natuurlijk is het driespan van mij!"
"En ik kan een eed afleggen, dat zowel de jas als het driespan mijn
eigendom zijn!" En iedereen in de zaal geloofde hem.
Ook de rechters geloofden hem en wezen het boertje toe: én de gouden
stijgbeugel én het driespan van de heer.
Van af die tijd werd de boer steeds rijker — hij had zijn geluk ge-
vonden! En hij dacht nooit meer aan zijn treurig lot van voorheen.
* * * EINDE * * *
|